maandag 29 februari 2016

Hoe mijn dochter op de Oscars terechtkwam

Steeds vaker vragen mensen mij hoe mijn dochter al voor de zesde keer op de Oscars terechtkomt. Het staat allemaal beschreven in That's it!, het vijfde en laatste deel in de Stephserie, waarin ik de belevenissen van een jong model heb neergepend (gebaseerd op de verhalen van mijn dochter).
Maar goed, ik ben de beroerdste niet: als je het boek niet hebt gelezen, volgt hier de verkorte versie van dat verhaal:



Ik keek naar de lange rij voor me. Er waren genoeg paraplu’s, maar onder de meeste stonden al twee mensen. Jarrett en ik waren naar de opening van een fototentoonstelling geweest. Bij aankomst hadden we de autosleuteltjes aan een valet boy afgegeven. Nu het openingsfeestje was afgelopen, stond er een rij van mensen die hun auto weer lieten ophalen. Ook wij.
Ik hoop voor Hollywood dat het morgen niet regent, schoot door me heen. Anders staan bij de Oscaravond al die arme sterren te verpieteren in hun goeie pak…
‘Zie je daar die grote zwarte paraplu die overal bovenuit steekt?’ zei Jarrett. ‘Die man staat daar helemaal zielig alleen… Kun je niet even voordringen?’ Jarrett trok een gespeelde pruillip.
Meer overredingskracht was niet nodig. ‘Excuse me, excuse me, thank you,’ zei ik, terwijl ik tussen de rij wachtende mensen door liep. Ik eindigde bij de man onder de grote zwarte paraplu.
‘Volgens mij heb je nog een plekje vrij,’ zei ik. Ik keek naar zijn paraplu.
De man keek me verbaasd aan en schoot toen in de lach.
‘Toevallig wel..’ Amicaal stak hij zijn arm door de mijne.
Een kort moment twijfelde ik of hier wel goed aan had gedaan: het kon natuurlijk ook de eerste de beste creep zijn die me binnen vijf minuten tussen de lakens wilde hebben. Hij was een stuk ouder dan ik – ik schatte hem een jaar of veertig. Sowieso te oud voor mij.
‘Hummer!’ hoorde ik de stem van de valet-jongen roepen, die een enorm, zwart gevaarte had opgehaald en daarmee kwam voorrijden.
 God, nee, dacht ik, zal je net zien, is mijn nieuwe ‘vriend’ nog een Hummerrijder ook. Maar de jongen die voor ons stond – spijkerbroek, rood baseballpetje op – riep: ‘That’s me!
Ik grinnikte. Grappig hoe mensen zich met hun auto kunnen identificeren: ‘Waar sta je?’ ‘Daar.’ Alsof je daar zelf staat in plaats van je auto.
Hate Hummers,’ mompelde mijn nieuwe vriend.
So do I,’ zei ik.
Hij keek me aan en gaf me een hand. ‘Ray.’
‘Steph.’
Hey Steph, how are you?
Just fine, thank you.
Geen creep, constateerde ik al snel. Gewoon een rustige, bescheiden man. Een einzelgänger, vermoedde ik. Geen blaaskaak.
De gebruikelijke vragen kwamen mijn kant op (hoe kom je bij de expositie van Tom Munro terecht, wat doe je voor werk, hoe kom je in LA verzeild?), en binnen de kortste keren hadden we de grootste lol. Er werden zoveel suv’s, Cadillacs en Mercedessen voorgereden dat het leek of ze gratis waren weggegeven.
‘Wat voor auto heb jij zelf eigenlijk?’ vroeg ik Ray, terwijl ik mijn eigen ticket aan de jongen van de parking gaf.
‘Wacht maar af,’ antwoordde Ray met een grijns op zijn gezicht. Hij keek me van opzij aan. ‘Wat is eigenlijk de laatste job die je hebt gedaan?’
‘Wacht maar af,’ zei ik. Ik schoot in de lach. ‘Nee hoor, ik zal ’t je vertellen: het was een geweldige maar tegelijkertijd frustrerende job.’
Why?
‘Het was een shoot voor de Australische Grazia, de Oscareditie,’ legde ik uit. ‘Ik had echt supermooie, dure jurken aan. Ik zei nog tegen die fotograaf dat ik het maar niks vond dat ik ze weer uit moest doen en er niet mee naar de Oscaravond kon.’
Really?’ zei Ray geamuseerd.
‘De fotograaf zei dat ik dan maar een wens moest doen,’ vervolgde ik. ‘Dat heb ik gedaan. Maar Carolyn, de vriendin bij wie ik woon, zei dat het een one-in-a-million-opportunity is en dat ik maar lekker moet blijven doordromen.’ Ik haalde laconiek mijn schouders op. ‘Dat doe ik dus maar, want het is morgen al en ik heb nog geen kaartje. Volgend jaar beter, haha.’
Ray zei niks. In plaats daarvan haalde hij een visitekaartje uit zijn zak en drukte dat in mijn hand.
The Academy, las ik. En daaronder: ray melvoy,  zijn functie, telefoonnummer, e-mailadres, de hele rataplan.
Right…’ zei ik weifelend. Waarom hij me zijn kaartje gaf, was me niet helemaal duidelijk. Of beter: helemaal níet.
Your wish is my command,’ zei Ray. ‘This is, so to speak, your ticket to the Oscars.
Hij genoot zichtbaar van de perplexe uitdrukking op mijn gezicht – als het fysiek had gekund, zou zijn glimlach zijn gezicht doormidden hebben gescheurd.
‘Hoe…wat…?’ Ik snapte er niks van.
‘Ik werk als advocaat bij The Academy en heb een zogenaamd plus-one ticket,’ verduidelijkte Ray. ‘Voor die “plus” had ik nog niemand in gedachten.’
But… why…?’ Ik snapte er nog steeds niks van.
‘Ik ben die avond in functie en kan het me niet veroorloven iemand bij me te hebben die meteen gaat gillen als er een beroemdheid voorbij wandelt.’ Hij glimlachte. ‘Jij bent model, je weet hoe je je in die kringen moet begeven. En zo te zien weet je ook prima hoe je jezelf moet vermaken.’ Hij keek me tevreden aan. ‘Jij lijkt me perfect gezelschap voor morgenavond. Dank je dat je mijn paraplu hebt uitgekozen om onder te schuilen.’
Jarrett heeft jouw paraplu uitgekozen, dacht ik, maar ik zei dat niet hardop.
‘Prius!’ riep de jongen van de parking, die met Jarretts autootje kwam voorrijden.
That’s us!’ hoorde ik Jarretts stem achter me.
Ray schoot in de lach. ‘Hummer, Mercedes, bmw, Cadillac… Prius.’ Hij hield zijn hoofd schuin en maakte een goedkeurend klakgeluidje. ‘Perfect balance.

                                                                 *
Voordat ik de volgende dag naar mijn job ging, moest ik als een speer drie dingen doen:
1.     Mijn Oscarjurk ophalen.
2.     Een bijpassende clutch kopen.
3.     Mijn ticket ophalen bij Ray.
Een vriendin van Carolyn reed me van hot naar her. Nadat ik mijn ticket had opgehaald bij Ray (‘See you tonight, I’m looking forward to it!’), bracht ze me naar de moeder van een vriendin van haar vriendin, die de avond daarvoor in alle haast was opgetrommeld. Die moeder was modeontwerpster en had een paar designjurken hangen waarvan ik er eentje mocht lenen.
Twee jurken zaten me als gegoten: een strakke zwarte, met spaghettibandjes en een split, en een sexy lichtblauwe met een strak lijfje en een wijdvallende rok. Het werd de zwarte.
Nadat de jurk zorgvuldig in een doorschijnende plastic hoes was opgeborgen, bracht de vriendin me naar een winkeltje waar ik een betaalbare en toch mooie clutch vond. Net groot genoeg voor mijn mobiele telefoon, kauwgom, een lipgloss en mijn ticket.
Vervolgens racete ik naar de shoot…
Ik schoot samen met Lukas, een zanger/acteur die ik ooit had ontmoet op een feestje bij Leonardo di Caprio, een van Lukas’ beste vrienden.
Helaas liep de shoot gigantisch uit, zodat ik de rode loper zou missen. Die ligt er tot een uur of zes, daarna  wordt hij weggehaald.
Toch scheurde Lukas me er zo snel mogelijk heen, in zijn lichtblauwe Alfa Romeo oldtimer sportwagen. Godzijdank goot het niet, zoals de avond daarvoor, maar het was wel fris. Té fris voor een blote avondjurk in een open sportwagen.
Lukas had daar op iets verzonnen: voordat ik instapte had hij me een warme, witte badjas omgedaan die in z’n kofferbak lag. ‘Je moet natuurlijk niet blauw van de kou aankomen,’ zei hij.

Achteraf vond ik het niet erg dat ik te laat was voor de rode loper. De vriend die me had uitgenodigd, vertelde me later dat als je als onbekend persoon op zo’n stuk rood vloerbedekking staat, de fotografen heel bot ‘Get out of the way!’ naar je schreeuwen. Daar zat ik niet op te wachten.
Lukas stapte uit en opende mijn portier.
Ik liet de badjas van mijn schouders liet glijden en legde hem met de rugkant naar boven op de bijrijderstoel. Pas toen zag ik wat er op de rugzijde geborduurd stond: Leonardo di Caprio. Als ik daar toch eens de rode loper mee over had gedurfd…

Intussen schreeuwen ze overigens niet meer 'Get out of the way!' Intussen is ze er zes keer geweest, vier keer in een prachtige creatie van de Nederlandse modeontwerper Dennis Diem. Dit jaar deze:
 

maandag 15 februari 2016

Te oud

Of ik a.s.a.p naar hotel x wilde voor een 80-minuten massage. Dat wilde ik.
Het bleek een heer te zijn die naar mijn idee wel zo ongeveer tegen de vijftig liep of wellicht die leeftijd al voorbij was. Hij wilde geen hoofdhuidmassage, vertelde hij me, want hij had net haarimplantatie gehad. Wel wilde hij deep tissue. 
Nu masseer je zelfs bij deep tissue niet de volledige massagetijd heel diep en je begint sowieso met wat oppervlakkiger grepen, al was het alleen om de massageolie aan te brengen.
Of het dieper kon, vroeg hij me al na twee minuten. Ik zei dat dat in orde kwam, dat ik het rustig opbouwde. Toen ik eenmaal een stuk meer kracht zette, liet hij zich niet meer horen, maar nog geen kwartier later begon hij onrustig zijn hoofd te bewegen. Ik vroeg of ik iets aan de tafel moest aanpassen.
'No, I have a headache, you have to stop.'
Door de haarimplantatie, dacht ik nog. Of hij zich liever wilde omdraaien, zodat er minder druk op zijn hoofd was. Nee, ik moest stoppen.
Ook niet nog even zijn gezicht, tegen de hoofdpijn, of armen, handen, voeten?
Nee.
Thee, misschien, glaasje water?
Nope.
Even later, bij de receptie, vertelde ik wat er was gebeurd.
'Aan ons vertelde hij een heel ander verhaal.'
'O?'
'Ja, dat je nagels had, dat hij zich vaak in Thailand had laten masseren en dat dat niet te vergelijken was, en dat je boven de zestig was, dus veel te oud.'
Nu heb ik gelukkig nagels (heel korte, dat wel), en ben ik inderdaad niet te vergelijken met een Thaise in Thailand, maar hoewel ik dit jaar even oud word als mijn geboortejaar ('58), ben ik nog niet over de zestig.
'Niks van aantrekken,' zeiden ze bij de receptie.
'Nee, tuurlijk niet,' zei ik.

Maar toch... maar toch...

Op de terugweg ben ik dus even het Rijksmuseum ingedoken. Naar ouwe dingen kijken.
Dat hielp.